OPBLOEI.
Tusschen onderwijspolitiek en maatschappelijke ontwikkeling bestaat altijd een innige samenhang. Het onderwijs is een der hefboomen, die het sociale niveau doen stijgen; doch de krachten, welke dien hefboom in beweging brengen, komen weder op hare beurt uit de maatschappij voort.
Het waren dan ook volstrekt niet alleen de krachtige voorbereidings
maatregelen van Fransen van de Putte uit 1863 en 1864, die het onderwijs sindsdien een hooge en snelle vlucht deden nemen. Zooals in Nederland, na een voorbereidingsperiode van een twintigtal jaren, omstreeks 1870 een nieuwe sociaal-economische phase intrad, die het lang in de achterhoede gebleven land weder in de vaart der volken deed medesnellen, zoo ligt ook in Nederlandsch-Indie de water
scheiding tusschen oud en nieuw om en bij 1870. De W aal’s agrarische wet van dat jaar had vrije baan gemaakt voor den particulieren land
bouw, die meer welvaart onder de bevolking van Java verbreidde dan het naderhand te zeer verguisde gouvernements-cultuurstelsel ooit had vermocht. In de buitengewesten wijzigde het gouvernement na 1860 zijn langen tijd gehuldigde onthoudingspolitiek; daar ging het inten
siever wordende bestuur meer en meer gepaard met de vestiging van europeesche landbouwondernemingen, die aldus tot de openlegging van menig nieuw gebied — eens het uitsluitende voorrecht van de zending — hare medewerking konden verleenen. Het in 1869 geopende Suezkanaal vergemakkelijkte den afvoer der indische producten naar Europa, vooral toen de stoomvaart ingang ging vinden: de stoom
vaartmaatschappij „Nederland” werd in 1870 geboren. Voor het
vervoer binnenslands gingen de spoorwegen zorgen — in 1875 werd met staatsspoorwegen een aanvang gemaakt — terwijl het verkeer te water door diverse havenverbeteringen werd gestimuleerd. De Koninklijke Paketvaartmaatschappij, opgericht in 1888, werd de ver
zorgster van het interinsulaire vervoer.
In deze nieuwe samenleving ontstonden nieuwe onderwijsbehoeften, welker vervulling door de gewijzigde economische verhoudingen moge
lijk werd gemaakt. De intensievere invloed van het westen — hetzij overheid, hetzij particulier ondernemer — deed onder de inheemsche bevolking den drang naar onderwijs ontwaken. Veelal was, vooral op Java, deze drang uit een zucht naar gouvernementsbetrekkingen geboren; er waren echter ook streken, zooals op Sumatra en in de zuider- en oosterafdeeling van Borneo, waar een stand van inheemsche handelaars bestond, die schoolsche kennis van lezen, schrijven en rekenen voor hun bedrijf behoefden 1). Het is zeker niet juist, dat de inlandsche scholen toenmaals uitsluitend door zachten dwang van de zijde des bestuurs — de zgn. „printah haloes” — in het leven werden gehouden. Anderzijds wane men niet, dat zuivere ontwikkelingsdrang de bevolking schoolwaarts dreef; dit is nergens ter wereld het geval en het ware een wonder geweest, indien Indië een blijvende uitzon
dering op den regel had gevormd.
Ook op het europeesche bevolkingsdeel deed de nieuwe toestand zijn invloed gelden, en wel grootendeels op dezelfde wijze: de ver- groote mogelijkheden in den gouvernementsdienst en in het particuliere bedrijfsleven prikkelden de vraag naar onderwijs. Hen bijzonder element voegde zich daarbij, dat onder de inheemsche bevolking zich nog niet voordeed: de emancipatie der vrouw. Zooals in Nederland omstreeks 1870 de vrouw een zelfstandige plaats in de maatschappij begon te veroveren, zoo trad in Indië sindsdien een toenemende vraag naar meisjesonderwijs voor Europeanen aan den dag.
De directeur van het nieuwe onderwijsdepartement, de hoofd
ambtenaar L. J. W . de W a a l2), behoefde dan ook niet naar
werk-») Vgl. V.I.O. 1868, blz. 291.
2) Hij was tevoren directeur der produkten en civiele magazijnen.
zaamheden om te zien: zijn taak lag voor het grijpen en bestond zoowel in uitbreiding en betere regeling van het bestaande als in schepping van de nieuwe onderwijsvormen welke de tijd vereischte. Regeling en nieuwvorming waren derhalve de beide elementen van de taak, die het onderwijsdepartement in de eerste vijftien jaren van zijn bestaan te volvoeren had.
A. Regeling. Geen tak van onderwijs vroeg zoo dringend om codificatie als het inlandsch onderwijs. Het gouvernementsbesluit van 30 Augustus 1851, dat in een vorig hoofdstuk reeds werd gesigna
leerd1), gaf wel een regeling omtrent de te Soerakarta op te richten kweekschool en bevatte bepalingen over de verstrekking van boekjes in de inheemsche talen, doch behelsde geen nieuwe voorschriften nopens de inlandsche scholen op Java, waarvan er toen reeds enkele bezig waren te verrijzen. Voorshands bleef men de regeling dezer scholen geheel overlaten aan het binnenlandsch bestuur, gelijk ook voor de van oudsher in de buitengewesten bestaande scholen voor inheemsche Christenen het residentsbesluit tot grondwet strekte.
Aanstonds na zijn optreden als inspecteur had Van der Chijs nieuwe regelingen voor het eenigszins verbrokkelde en stelsellooze inlandsch onderwijs ter hand genomen, waartoe hij de noodige practische ervaringen opdeed door menigvuldige reizen, eerst over Java, daarna achtereenvolgens naar Sumatra's westkust, de Molukken, de zuider- en oosterafdeeling van Borneo en den Timorarchipel. Verschillende belangrijke besluiten werden in deze jaren genomen. Het onderwijs aan de Christen-inlanders, dat nog altijd onder de hoofdcommissie ressorteerde, werd in 1865 aan de hoede van Van der Chijs toever
trouwd. Symptomatisch belangrijk was in 1864 de oprichting van een school op Neira ten behoeve van de niet-christenen op de Banda- eilanden2); daarmede toch had het gouvernement in de practijk den ouden stelregel losgelaten, dat in de IS^Iolukken en andere gekerstende streken slechts voor die inheemschen werd gezorgd, die het Christen
dom beleden. Verder werd in 1866 de koninklijke machtiging gevraagd
!) Blz. 128.
2) V.I.O. 1864, blz. 282.
voor een nieuw financieringssysteem. Was tot dusver elke inlandsche school op Java als een afzonderlijke financieele eenheid beschouwd, waarbij de schoolgelden de onkosten zooveel mogelijk hadden te dekken en het land slechts bijsprong ter suppleering van de nadeelige saldi, voortaan zou het gouvernement de kosten van dit onderwijs geheel op zich nemen, zoodat ook de schoolgelden in ’s lands kas zouden worden gestort. In 1869 kreeg deze wijziging haar beslag.
Al deze voorbereidende arbeid vond zijn afsluiting in het koninklijk besluit van 3 Mei 1871, dat in het indische staatsblad onder No. 104 werd opgenomen. In deze eerste wettelijke regeling van het inlandsch onderwijs werd uitgegaan van het gronddenkbeeld, dat aan de op
richting van inlandsche scholen de vorming van leerkrachten diende vooraf te gaan; vandaar dat artikel 1 niet over inlandsche scholen, maar over kweekscholen sprak. De bestemming van de inlandsche scholen werd daarbij als volgt aangegeven: onderwijs „aan de kinderen der inlandsche hoofden, alsmede der verdere inlandsche bevolking."
Een terugkeer naar de oude, door Fransen van de Putte verlaten opvatting, dat ambtenarenopleiding het eerste doel was? Het heeft er den schijn van, maar de toelichting bij dit artikel gaf genoegzaam aan, dat de redactie slechts beoogde te doen uitkomen, dat wegens de ontoereikendheid van ’s lands financiën het inlandsch onderwijs zich voorshands zou moeten beperken tot de bovenste lagen der inheemsche maatschappij 1). Van groote beteekenis als beginseluitspraak was voorts artikel 3: „Het onderwijs op de inlandsche scholen wordt ge
geven in de volkstaal. Waar deze voor het onderwijs onbruikbaar is, hetzij wegens hare geringe ontwikkeling, hetzij wegens het ontbreken van leermiddelen, wordt het onderwijs gegeven in de Maleische taal.”
Men leze in dit voorschrift intusschen niet meer dan er in staat. De vastlegging van het paedagogisch juiste en, naar wij zagen, reeds doorgevoerde beginsel „onderwijs door middel van de moedertaal van het kind,” belette niet dat de school, naast aanpassing aan het ooster- sche milieu, ook westersche elementen in zich opnam; dit blijkt uit de voorschriften betreffende de onderwijsvakken. Naast de verplichte
*) Brouwer, blz. 35.
vakken lezen, schrijven en rekenen toch gaf het nieuwe reglement een lange lijst van facultatieve vakken, waaronder ook de nederlandsche taal. Bedenkt men daarbij, dat voor de kweekscholen het Nederlandsch als verplicht leervak werd vermeld — ook dit sloot aan bij de sinds 1865 gevolgde practijk *) — dan blijkt wel, dat de regeering tegenover synthese van de inheemsche cultuur en de nederlandsche zeker niet afwijzend stond. Dit zal hierna nog worden geadstrueerd.
Afzonderlijke vermelding verdient nog artikel 6 van het reglement van 1871. Daarin werd voorgeschreven, dat behoudens de heffing van een matig schoolgeld de kosten van de inlandsche scholen geheel ten laste van het land zouden komen. Aldus werd gebroken met het oude stelsel, hetwelk de scholen beschouwde als instellingen die zooveel mogelijk hare eigen kosten behoorden te dekken. Eerst in het begin der twintigste eeuw, toen Van Heutsz met de oprichting van desascholen begon, is het oude zelfbekostigingsbeginsel weder aangenomen.
De belangrijkste bepaling van het nieuwe reglement — belangrijk vooral, omdat zij iets nieuws bracht en niet slechts het reeds bestaande codificeerde — zal eenige bladzijden verder in oogenschouw worden genomen; zij betreft het godsdienstonderwijs op de openbare scholen en dient dus in samenhang te worden behandeld met het beleid der regeering ten opzichte van het zendingsonderwijs.
Naast het inlandsch onderwijs behoefde ook het europeesch lager onderwijs een nieuwe regeling. De motieven hiervoor lagen in het moederland: daar was, na veel moeite, de oude schoolwet van 1806 in 1857 door de wet-Van der Brugghen vervangen. De hoofdcommissie ontving dan ook reeds in 1859 de opdracht, een ontwerp in te dienen voor een nieuw reglement ter vervanging van de nog door commis
sarissen-generaal in 1818 uitgevaardigde voorschriften. Vlot verliep de afdoening van deze aangelegenheid echter niet, voornamelijk door
dien het netelige vraagstuk van de toelating van niet-Nederlanders herhaald en langdurig overleg met het opperbestuur noodig maakte.
Ten langen leste werd besloten, in afwachting van de totstandkoming
*) Bij G. B. van 6 Augustus 1865 No. 22 werd vastgesteld, dat aan alle kweek
scholen gelegenheid moest bestaan tot het aanleeren van de nederlandsche taal.
Brugmans, Gesch. v.h. Onderwijs in Ned.-lndië. 11 161
van een nieuw reglement, een veranderde regeling in te voeren omtrent de akten van bekwaamheid als onderwijzer en de daarvoor vereischte examens, zooals in Nederland reeds in 1858 was geschied. Aldus werd in 1865 (Staatsblad No. 52) het oude besluit van 1818 daaromtrent ingetrokken; in de beide volgende jaren werden nieuwe regels gegeven1). Eindelijk kwam in 1868 de nieuwe regeling van het europeesch lager onderwijs tot stand: staatsblad No. 81 bevatte het reglement op de lagere scholen, dat de beginselen van de nederlandsche wet van 1857 volgde, terwijl staatsblad No. 82 voorschriften behelsde omtrent de klassen en de bezoldigingen der leerkrachten, de akte- examens, de orde en het beheer op de scholen en de inspectie.
De uit een oogpunt van onderwijspolitiek meest belangrijke bepaling uit de regeling van 1868 kennen wij reeds2): de Inlanders en de vreemde oosterlingen zouden op de lagere scholen kunnen worden toegelaten op nader door den gouverneur-generaal te bepalen voor- waarden. Van de overige veranderingen verdienen slechts enkele bijzondere vermelding. Het Fransch werd op de le scholen als leervak ingevoerd. Naast de plaatselijke schoolcommissies, die de oude, onder de hoofdcommissie staande subcommissies waren komen te vervangen, werden ambtelijke toezichtinstanties ingeschakeld in den vorm van inspecteurs: in de drie steden Batavia, Semarang en Soerabaja werd een inspecteur van de gouvernements lagere scholen geplaatst. Het leerkrachtencorps zou voortaan bestaan uit onderwijzers le en 2e klasse (hoofdonderwijzers) en onderwijzers 3e klasse (hulponderwijzers);
kweekelingen zouden niet meer in de formatie worden opgenomen, terwijl het instituut der „ondermeesters” (niet-bevoegde leerkrachten) verdween. Van belang is voorts, dat de nieuwe regeling voor het eerst ook de mogelijkheid eener onderwijzersopleiding van gouverne- mentswege openstelde; tot dusverre had het Land zich beperkt tot een examineerende taak en was de opleiding aan particulieren overgelaten.
De normaalcursus voor hulponderwijzers, die het gouvernement in Juli 1871 te Batavia opende, bracht een nieuw element in het onderwijs
stelsel.
*) Staatsblad 1866 No. 32; 1867 No. 13.
2) Hiervóór, blz. 144.
Nog een derde vorm van onderwijs eischte de aandacht van het nieuwe departement op: het ongesubsidieerde onderwijs. Zooals in een vroeger hoofdstuk reeds werd aangestipt i) hadden commissarissen- generaal in 1818 bepaald, dat lager onderwijs slechts mocht worden ge
geven door personen, die waren geëxamineerd door de schoolopzieners of in het bezit waren van een geldig diploma. Dit voorschrift gold slechts voor het nederlandsch lager onderwijs aan de europeesche bevolking;
andere bepalingen waren niet noodig, daar op Java de inheemsche bevolking geen onderwijs ontving en de van de zending uitgaande inlandsche-christenscholen in de buitengewesten in nauw contact met de overheid stonden.
Het besluit van 1849, waarbij de europeesche lagere school voor de Chineezen werd gesloten en voor de Inheemschen slechts nog provi
sorisch open bleef, noopte de regeering spoedig tot een principieele beslissing ten opzichte van het ongesubsidieerde onderwijs. Aanstonds toch nadat dit besluit was gevallen richtte een Chinees zich tot de hoofdcommissie met het verzoek een school voor europeesch lager onderwijs voor Chineezen te mogen openen; een Nederlander, die aan ,.kinderen van onchristenen” onderwijs op nederlandschen voet wilde geven, deed hetzelfde. De vraag was nu, welke houding het gouvernement ten opzichte van nederlandsch onderwijs aan niet- Nederlanders moest innemen. De regeering besliste2), dat onderwijs in de op de europeesche scholen gegeven vakken een vergunning van de plaatselijke autoriteiten behoefde, doch dat deze vergunning in het algemeen diende te worden verleend voor zoover tegen de persoon van den aanvrager geen bezwaren bestonden; Nederlanders behoorden bovendien in het bezit te zijn van een certificaat van bekwaamheid.
De hoofdcommissie diende tegen deze liberale regeling bezwaren in en bleek de gevolgen van westersch onderwijs aan Inlanders somber in te zien, maar de regeering bleef bij hare beslissing.
Het regeeringsreglement van 1854 bevatte ook omtrent het onge
subsidieerde onderwijs een enkel voorschrift: artikel 126 bepaalde, dat
a) Hiervóór, blz. 70.
2) G. B. van 23 Mei 1849, No. 9. Vgl. Publ. H.I.O. Commissie No. 9, le stuk, blz. 19; Van der Chijs in Tijdschr. Bat. Genootschap X IV (1864), blz. 307.
het geven van onderwijs aan Europeanen vrij zou zijn, behoudens het toezicht van de overheid en het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers. In de tweede kamer was bedenking tegen het regeeringsvoorstel van die strekking gerezen; waarom ook niet het onderwijs aan de inheemsche bevolking vrij gelaten, had Van Hoëvell gevraagd. De minister had echter gewezen op de gevaren van onbeperkte vrijheid op dit punt en had verklaard het onderwijs aan de Inlanders evenzeer in de hand te moeten houden als de zending;
de kamer had daarop een amendement-Van Hoëvell, dat vrijheid ook voor onderwijs aan de inheemsche bevolking stipuleerde, verworpen.
De werkelijkheid is echter een geheel andere geworden dan de kamerdebatten over het regeeringsreglement en het uit dien smeltkroes voortgekomen artikel 126 zouden kunnen doen verwachten. Men stoorde zich aanvankelijk in het geheel niet aan de nieuwe bepaling en ging voort vergunningen af te geven voor onderwijs door Neder
landers, zulks op grond van een oud gouvernementsbesluit van 1832.
Het verzoek eener te Semarang gevestigde vrijmetselaarsloge om ver
gunning voor de oprichting van een hoogere burgerschool werd echter aanleiding tot het gouvernementsbesluit van 26 April 1867, No. 37, waarbij werd vastgelegd dat dergelijke vergunningen niet meer noodig waren met het oog op artikel 126 van het regeeringsreglement !). Zoo is het sindsdien gebleven; sedert 1867 wordt voor onderwijs aan Europeanen geen vergunning meer vereischt, doch de bevoegdheids- eischen zijn gehandhaafd.
Opmerkelijk is nu echter, dat de vrijheid tot het geven van onderwijs aan andere bevolkingsgroepen niet geringer, doch grooter is gebleven.
Een gouvernementsbesluit van 1880 2) vorderde nog een vergunning tot het geven van onderwijs voor Europeanen en daarmede gelijk—
gestelden, die onderwijs aan niet-Europeanen wenschten te geven;
doch het door Inlanders en Vreemde Oosterlingen te geven particulier onderwijs was sindsdien geheel vrij, behoudens zeker algemeen politie
toezicht.
*) O.V.E. 1865— 1869, blz. 20.
2) Staatsblad No. 201.
Een meer netelig onderwerp dan de tot dusverre besprokene — inlandsch onderwijs, nederlandsch onderwijs, ongesubsidieerd onder
wijs — leverde de subsidiepolitiek op, met name de subsidieering van het zendingsonderwijs. De moeilijkheden, die op dit terrein werden gevoeld, waren in den loop der 19e eeuw groeiende geweest. De Aufklarung mocht gekant zijn tegen verzorging van het onderwijs door de Kerk, ongodsdienstig was zij niet, zij het dan, dat haar „deïsme”
ondogmatisch was en op den „natuurlijken” godsdienst berustte. Zoo
doende bleef het mogelijk, dat het gouvernement in de eerste helft der eeuw in de Molukken en in de Minahassa scholen voor inlandsche Christenen exploiteerde, waar de Bijbel het voornaamste leerboek was en welker schoolmeesters tevens kerkelijke dienaren waren. Subsidiën aan zendingsscholen werden dan ook, waar noodig, zonder bezwaar gegeven; zoo kende in 1849 het gouvernement een subsidie aan de Rijnsche zending toe voor de bezoldiging van een vijftal Dajaksche leermeesters in Poelopetak (Z. en O. afdeeling van Borneo1).
Het kon echter niet anders, of Indië moest den ontwikkelingsgang volgen, dien het moederland te zien gaf. Aldaar had de schoolwet van 1857 de verwereldlijking van de openbare school gebracht: voortaan zou de school zich van elk positief-religieus onderwijs onthouden, en de Bijbel werd voorgoed uit de openbare school gebannen. Zoo ge
schiedde het, dat het reeds besproken grondslagenbesluit voor het inlandsch onderwijs van 1871 in artikel 4 kortweg voorschreef, dat zoowel op de inlandsche scholen als op de kweekscholen alle gods
dienstig onderwijs verboden was. Men achtte het in strijd met de neutraliteit van den staat, indien deze zich met godsdienstig onderwijs inliet, hetzij rechtstreeks op gouvernementsscholen, hetzij indirect door het steunen van zendingsscholen. Ook de vrees, dat subsidie van zendingsscholen te zijner tijd zou moeten leiden tot steunverleening aan Mohammedaansche scholen, schijnt hierbij een rol te hebben ge
speeld 2).
») A.O.V. 1850— 1852, blz. 204.
2) Vgl. A.W.P. Verkerk Pistorius, Ceylon. Indische volksbelangen (1874), blz. 1 1.
De uitbanning van het specifiek Christelijk karakter uit de gouver- nements-inlandsche scholen, die het grondslagenbesluit van 1871 voor
schreef, werd vooral door twee maatregelen in de hand gewerkt. In de eerste plaats was, naar wij zagen, de afzonderlijke administratie der inlandsche-christenscholen in 1865 verdwenen, terwijl ook het nieuwe departement van onderwijs deze onderscheiding nimmer heeft gemaakt;
na 1864 komen de scholen voor Christen-inlanders niet meer als zoo
danig afzonderlijk in het onderwijsverslag voor. Daarnaast verdient als tweede en meer invloedrijke factor te worden vermeld, dat het gouver
nement eerst in deze jaren de opleiding der leerkrachten overnam van de zending. De in 1834 opgerichte kweekschool van het Nederlandsch Zendelinggenootschap te Ambon, welke onder de bekwame leiding van Roskott had gestaan1), werd in 1864 opgeheven; reeds in het volgende jaar besloot de regeering tot oprichting eener openbare op- leidingsinrichting ter plaatse, die eerst in 1874 haar beslag kreeg. In de Minahassa bleef de genootschapskweekschool, die in 1855 te Tanawangko werd geopend2) en onder leiding van den zendeling Graafland stond, gecontinueerd; doch een gouvernementsschool werd hier opgericht te Tondano (1873). Ook voor den Timorarchipel werd tot een openbare kweekschool (te Koepang) in 1863 besloten; gebrek aan geschikte leerkrachten was echter oorzaak, dat dit besluit onuit
gevoerd bleef.
De invloed van de overneming der onderwijzersopleiding in de Minahassa en in de Molukken door het gouvernement is zonder eenigen twijfel groot geweest. De zendingskweekscholen toch legden zich er in de eerste plaats op toe goede kerkelijke voorgangers te vormen en schoven de eigenlijke onderwijsvakken op den achtergrond. Van der Chijs constateerde dan ook op zijn Molukkenreis van 1867, dat vele onderwijzers de kerk als hoofdzaak, de school als bijzaak beschouwden;
hij achtte den geheelen toestand in de Molukken, met zijn scheiding tusschen inlandsche Christenen en overigen, in strijd met den geest van het regeeringsreglement. Dat daaraan juist in deze jaren een einde
J) Hiervóór, blz. 116.
2) Een voorlooper vormde de kweekschool te Sonder, die 1852— 1853 bestond (Coolsma, blz. 586).
is gemaakt, is dan ook voor een belangrijk deel Van der Chijs’ werk geweest. Gepaard ging deze maatregel met beëindiging van het officieele karakter van het zendingsonderwijs. Roskott, die school
opziener op Ambon en omgeving was geweest, werd als zoodanig niet vervangen; in de Minahassa werden in 1868 de door de dorpshoofden aangestelde schoolbedienden (marinjo's) niet meer voor de zending beschikbaar gesteld en werd aan de bevolking medegedeeld, dat zij geheel vrij was de zendingsscholen al dan niet te bezoeken1).
Met de geschetste ontkerkelijking van het gouvernements-inlandsch onderwijs in de gekerstende gebiedsdeelen moest ook de tot dusverre geldende subsidiepolitiek worden geliquideerd. Een algemeene regeling voor de toekenning van financieelen steun aan particuliere scholen bestond tot dusverre niet; het gouvernement besliste in elk afzonderlijk geval, welke tegemoetkoming aan een bepaalde school of scholen
complex zou worden uitgekeerd2). De wijziging echter van het voor de openbare scholen geldende financieringsstelsel, waarbij het land de volledige bekostiging der inlandsche scholen op zich nam 3), had de regeering tot de erkenning gebracht, dat sommige door het initiatief van het binnenlandsch bestuur totstandgekomen scholen weliswaar niet voor volledige overneming door het Land in aanmerking kwamen, maar wel op eenige tegemoetkoming van landswege aanspraak mochten maken. Ten einde nu dit plaatselijk initiatief aan te moedigen besloot de regeering deze zaak bij ordonnantie te regelen. De kroon- ordonnantie van 1 April 1874 (Staatsblad No. 99) werd Indië’s eerste subsidieregeling4). De subsidie-ordonnantie van 1874 is dan ook het meest belangrijk wegens de subsidiën, die zij verbood. In overeen
stemming met het grondslagenbesluit van 1871 gold als een der voor
waarden voor landssteun „dat alle godsdienstig onderwijs is uitge
sloten, doch alleen de schoollokalen daartoe buiten de schooluren be
schikbaar mogen worden gesteld. Daarmede was aan de samen
werking tusschen het gouvernement en de zending een einde gekomen;
a) V.I.O. 1867, blz. 362, 385—387; 1868, blz. 178, 184.
2) Zie hiervóór, blz. 109, 115, 120.
3) Hiervóór, blz. 160— 161.
4) Brouwer, blz. 40 vlg.