Ze kwamen van
het kerkhof terug, en hetwas
steenkoud.Ze hadden
zeer voorzichtigmoeten
rijden: debaan was met
een dikke laag ijzel bedekt, die als loodglom
onder een koude, groene hemel.Daarom
hielden ze haltaan
de randvan
het bos, en trokken de her- berg binnenom
zich te verwarmen.Ze
'bestelden koffie en borrels, en zaten bij de kachel neer.Dax, die de jongste was, bleef even bij de juke-box staan en stak werktuiglijk een
muntstuk
in de gleuf.Het
oer-^elijke ding klikte en ronkte, endan
stiet een snerpend trompet-solo een langgerekte huil- klacht uit.— “Wat
een idee,” zei Tavannes, die de oudste van de drie was;Dr. Tavannes, de gynecoloog, die
op weg was
een europese celebriteit te worden. “Vergeet jewaar we
vandaankomen?”
Dax,
de intemist, schoof zijn stoel tot dicht bij deenorme
kachel,waar
een waterketelop
pruttelde, en zat neer: “Hij vindt het niet eens erg als hij het toevallig hoort,” zei hij, endronk
zijn glas in één teug leeg.“Hemel, wat
eenweer om
begraven teworden!”
— “Toen we
zijnvrouw
begraven hebben goot het,” zeiLeeuwen
—
neus, keel en oren, afdelings-oversteop
St Salvator. “Terwijlwe op
de grintweg stapten,op
het kerkhof, sprongen de kleine groene kikkers voor onze voeten weg. Ik stapte naasthem — we
zijn—
neen:
we waren —
verre neven.Dat weten
jullie wel. Ik zaghem
grin- niken, en ik vroeg:“Wat
is er aan dehand?”
Hij ha’alde een schouider op,en
schudde even het hoofd.Toen
zei hij:“Ze
hield zoveel van water.Ze
gafme
niets anders te drinken, dearme
sloor—
”
—
‘Tk heb ze gekend,” zei Tavannes.“Haar
kinderen op de wereld helpen brengen.Een
kreng, datwas
ze—
deHeer
zij haar ziel genadig! Lelijk, en zo gierig al ze lelijk was.Arme oude Mus —
hij heeft naast haar
ruim
zijnweg
naar dehemel
verdiend!”Dax
sloegmet
zijn ringop
de tafel en bestdde een tweede ronde borrels“Waarom was
hij erdon mee getrouwd?”
—
“Hij bezat geen rooie duit, en zijwas
rijk. Hij had geen prak- tijk, geen konnekties—
een werk-student, een vreemdeling in destad.De
vader gaf ha’ar een rondsommetje
mee, en betaalde de instal- latie—
”
—
“Hij wist toch wat hij deed,” zei Dax.— “Heb
jij in je leven honger gekend, enkou
geleden?” vroeg Tavannes.“Voor
een uitsballing gestaan en naar het brood gekeken, en je geld nagetdd, en gezien dat je niet genoeg had, datje totmor-
gen moestwachten om
te eten? Nee, he?Nu:
hij wel.En
hijwas
het beu. Zie je?”— “Dan
begrijp ik niet,waarom
zij ‘ja’ gezegd heeft,” zei Dax.24
De
andere tweekeken
elkaar aan.Toen
zei Leeuwen:“Wat
geeft het? Hij is toch dood. Zie je, jongeman: het eerste kind is bedenke-lijk vroeg geboren, en het leek niets
op Mus. Het
heeft driemaand
geleefd. Zij achtte zich
daama
in dekoop
bedrogen, en ze heeft hethem
betaald gezet. Begrijp je?”—
“Niet heel proper,” zeiDax, en
trok de neus op.“De
eer- biedwaardige Prof. Dr.Edwin
Rasmussen.A1 was
hij lang geen ‘Prof meer.”Tavannes
plantte zijn glasop
de tafel. “Zwijg,” zei hij.“Mus was
eengoed en edel mens.En
ik zai het niet toelaten dat er in mijn bijzijn zo smalend overhem
gesproken wordt. Begrepen,jongmens?”
— “Maar —
” zei Dax.—
“Jij bent een rijkemanskind.Wat
wect jijvan
het harde, bittere leven? Je hcbt een elegante praktijk, tweewagens
en een ka- meel van een huis in de rijkste buurtvan
de stad.Maar
naastMus
ben jij een kleine jongen, een beginneling, een leerling-tovenaar, die dure specialiteiten voorschrfjit aan elegante dametjies, die niet eens ziek zijn.
Mus was
een mens.”Dax
weerde zich: “Toe, zo ’n niemendal ben ik tochook
niet!En Dr Rasmussen was
toch—
ja, hoemoet
ik het zeggen?—
ouder- wets in zijn methodes. Nietmeer op
de hoogte van de recente vorde- ringen van de wetenschap,en —
”
— “Dat
kan wei,” zeiLeeuwen. “Maar
zijn diagnosewas
onfeilbaar.Hij “voelde” de ziekte.”
— “Dat
is toch middeleeuwse onzin,” zei Dax.—
“Nee,” zei Leeuwen.“Dat
is geen onzin.Dat
is intuïtie, een zesde zintuig, weet ek zelf?En
voorMus waren
er geen ‘gevallen’zoals voor jou.
Voor
jou en ook, helaas voor ons.Er waren
voorhem
geen ziekten,
maar mensen
die ziek waren, enmoesten
geholpen, genezen worden.Mensen
aan wie demoed
moest gegeven worden, zich aan het leven vast te klampen. Hij had een religieuze eerbied voor het leven. Zijn patiënten kregen het gevoel, dat zegewoon
niet sterven konden, als hij d’r bij stond. Zolang hij dewacht
hield durfde dedood
niet naderbij te
komen. Weet
je ’t nog, Tavannes, dat gevalmet
dat kleine meisje?”—
“Ja,” zei Tavannes.—
“Hij wist heel goed dat het kind nietmeer
te redden was,” zei Leeuwen.“Welke
kriminele gek het meisje banggemaakt
had, wistMus
niet.Maar
ze klampte zichwanhopig
aanhem
vast—
zewas
geen tien jaar, een enigÚnd. Ze
riep dat ze nietdood wou
gaan, in een kist onder de aarde gestopt worden.De
ouders schreiden,maar
hij zei:
‘Maar
je gaatimmers
niet dood!Waar
haal je datnu
van- daan? Je kunt niet doodgaan,want
ik blijf bij je tot je genezen bent.’En
dat deed hij. Hij bleef bij haar, de hele dag, de hele nachtZe
sliep niet, ze hield zijn
hand
vast.Tegen
demorgen
vielen zezamen
in áaap. Niet voor lang: na enkele
minuten
schrok hij wakker, en het 25kind
was
dood. Hij heeft het zichzelf nooit helemaal vergeven: hijwas die nacht aan zijn
macht
gaan geloven.Maar
het kindwas
zonder angst gestorven, in rustig en blij vertrouwenwas
het over de drempel heengestapt.O
ja, hijwas
een goedmens —
”
— “Zo
’n goede herinnering heb ik eigenlijk niet aanhem,”
zeiDax. “Ik heb
hem
nietmeer
als professor gekend,maar
ikwas
internop
St Salvatortoen hij er afdelings-overste was.Nu —
”En
hij zweeg,en dronk zijnborrel leeg.
— “Nu
je reeds zo ver bentmoet
jemaar
verder gaan,” zei Leeuwen. Hijhad
dastmet
zijn koffie-filter, en hij vloekteomdat
hijzijn vingers verbrandde.
—
“Laat mij d’atdoen,” zeiDax.—
“Blijf er af,” zeiLeeuwen,
“en vertel. Je zei:nu —
”
Dax
haalde ongeduldig de schouders op. “Als jullie erop aandrin- gen—
Ikwas
dus internop
St Salvator—
dat zal welmeer dan
twin- tig jaar geleden zijn.Waar
blijft de tijd! Ik zat te schuddeboilen in dewachtkamer,
en ik verwenste de klok van de kap>el—
in die tijdhadden
zcnog
dat gebarsten ding, dat zo miserabel schelkon
kleppen.Ik keek
met
één oog naar het uur, en ik dacht:nog
een kwartier.En
toen sprong Miel—
ja, ’twas nog
in de tijd vanMiel —
de zaal binnen. Ik dacht: ’tMoest
natuurlijkweer vandaag
gebeuren.Wie hebben
zenu
weerop
straat opgeraapt en naar hier gebracht?Mijn
bed staatop me
te wachten’— Maar
datwas
het helemaal niet.“In die tijd, dat weten jullie wel,
was
een ‘begrafenis van den arme’ niet veel zaaks.Vroeg
in de morgen, vier kaarsen en een lege kerk.Daarom werd
de doodkist gewoonlijk van de vorige dag reeds dichtgevezen.Maar nu was
hetop
diemorgen
gebeurd dat de familie van de overledene—
een obskuur klein mannetje dat van het gesticht naar het hospitaalwas
verhuisdom
er te sterven— nu was
die fami-lie opgedaagd.
Met
de eerste bus vanhun
dorp naar de stad.Een
krans van paarlen en artificiëlebloemen hadden
ze zelfs meegebracht.Alles verliep normaal, toen, op het
moment
dat ze de doodkist uithet dodenhuisje naar de kerk wilden dragen, eenoud
vrouwtje in sjaal enmuts
naar voor trad, en zei dat ze ‘onze Jef nog eenswou
zien, enhem
een kruiske geven.De
kistwas
gesloten,maar
zevond
dat ze die best terugkonden openmaken. De
andere familieledenkeken
verveeld toe, en probeerden haar uit te leggen dat het nutte- loze tijdverspilling was.Meneer
Pastoor wachtteaan
de ingang vran de kerk, en de kaarsenwaren
aangestoken.Maar
zewas met
geen rede van haar stuk te brengen, en de twee lijkdragers begonnenmet
een verveeld gezicht aan de kist te werken. Eindelijkwerd
het deksel gelicht en—
stéUen jullie zich dat voor?—
in de kist lag ‘onze Jef netjes opgebaard.Maar
zonder hoofd. Ja, jullie hebbenmooi
lachen. Ik lachte niet. Miel stondme met
ronde ogen aan te gapen.‘Wat
moet
ik doen?’ vroeg hij. ‘Weet uwaar
dat hoofd naartoe is?’ ‘Hoekon
ik dat weten? Ik gingmet
de knecht naar het doden- huisje.Ze
stonden daarbedremmeld
te kijken. Thuis waren ze waar- schijnlijk in vloeken en schelden uitgebarsten.Maar
de majesteit van het grote gasthuis hield ze in bedwang.Eén
van de nichtjes, diezwaar
26zwanger ging.
was prompt
in bezwijming gevallen. Alleen het oude vrouwtjehad
haar zinnen bijgehouden.Ze kwam
voorme
staan—
zewas maar
zóhoog —
en zei ‘Meneer Doktoor, onze Jef wordt niet zonder hoofd begraven.Dat
gaat zo niet, al zijnwe
boerenmensen.U
moet maar
zien dat u het hoofd terugvindt.’”“Het was
ZusterAnselm
die de situatie redde.Ze
fluisterde Miel cen paarwoorden
in het oor en hij verdween als een rukwind.Ze
hielp het flauw-gevallen nichtje
weer op
de been, troonde het gezel- schapmee
naar de refter, liet koffie brengen en verwittigdeMeneer
Pastoor die, kwispel in hand,nog
steeds in de kerk wachtte.Tot
mij knipoogde ze en zei; ‘Hetkomt
allemaal in orde, Dokter.’”“Het kwam
in orde.Een
half-uur laterwerd
een decent- en volledig-lijk een kruiske gegeven en de lijkdienstkon
beginnen. Mielwas op
debank
in dewachtkamer
neergevallen, en veegdemet
zijn zakdoek zijnglimmende
schedel droog. Ik vroeg: ‘Wel,waar was nu
dat hoofd?’—
‘In het station,’ zei hij. ‘Ikkwam nog
netop
tijd. Ik zaghem
over het perron wandelen, eenpak
onder dearm —
’ Ik vroeg;‘fVie zag je?’
—
‘Dr Rasmussen, natuurlik. ZusterAnselm
had het wel goed geraden. Hijhad
het hoofd in kranten gewikkeld ennam
het naarLeuven
mee.Voor
de anatomie-les, zei-ie.En
hij zei nog:‘Wat kan
ik nu door die idioten laten ontleden? Zo’n pracht van een hoofd
—
’
— “Lach
maar,” zeiDax
geërgerd, en bestelde een derde borrel.“Vinden
jirilie dat eerbiedig? Schandalig,noem
ik het!Geen wonder
dat hij nietop
de Universiteit gebleven is.Gauw
genoeg heeft hij zijn biezenmogen
pakken.”—
“Luister,” zeiLeeuwen.
“Zijn die studentengrappen van julle altijd even kies en even eerbiedig?Heb
jij niet, als ik hetme
goed herinner, eensmet
een geraamte gewalsdop
de wijze van de ‘SchoneBlauwe Donau’? Wie kwam
er weer toevalligjuist binnen?”— “Een
skelet,” zei I>ax.“Dat
is toch geen hoofdV'— “Een
skelet is langer dood.Voor
de rest— De Mus had
aJIeen oogop
zijn les.”— “En
als je ’tweten
wilt,” zei Tavannes, “het is uit eigen be- weging dat hijLeuven
vaarwel heeft gezegd.De Mus nam
nooit een blad voor demond,
oorlog of geen oorlog.Zo
kreeg hijmet
zijn kol- legas ruzie.En nu we
toch aan ’t verteUen zijn, zal iknog
een ander verhaaltje over deMus
opdiepen.En
’t is je derde borrel,Dax. Denk
era’an dat jij straks aan het stuur zit. Ik eindig voorlopig liefst niet in een gracht. Wel: het verhaal.
Op
een goeie dag zagRasmussen
een echtpaar zijn konsultatie-kabinet binnenvallen. Ik zeg: binnenvaUen,want
zij plofteop
een stoel neer en barstte in tranen uit.En
hijkon
er eers niet
toekomen,
een stoel tcnemen
en neer te zitten.Mus
zei niets, ging een glas water halen en zei brutaal tot de schreiende vrouw: ‘Hier, drink.En denk
eraan, er zijn op de wereld beken tranen geschreid, en geen enkele van die tranen heeft ooit ietskunnen
ver- 27holpen:
Dus —
Ondertussenwas
deman op
het randje van de stoel gaan zitten: hij zag groen, zeiMus,
die hetme
veftelde,en
zijn han- denkon
hij van zenuwachtigheid niet stilhouden.Het
verhaalkwam
er
met
stukken en brokken uit.Ze waren
radeloos, zie-ie.Ze hadden
drie kinderen
—
de kiatste bevallingwas
zeer moeilijk geweest.Het
kind
was
ergekomen, maar
de dokterhad
gezegd: ‘Geen kinderen meer, begrepen? Ik sta voor het leven van demoeder
niet in—
’Wat
moesten
ze doen?Ze
hieldenvan
elkaar.Ze waren
zeer voorzichtig geweest— maar
ja,nu was
het zo ver.Wat moesten
ze inHemels naam nu gaan
beginnen?”“Rasmussen
onderzocht de vrouw, dacht na. Hij zei: ‘Er is altijdeen
miniem
percentage gevaar bij een bevalling.En
hetkan
zijn datbij u dat percentage een fractie hoger ligt.
Maar
ik zegu
datu
een gezond kindop
de wereld brengt. Begrijpt u?Het komt
in orde. Ver- geet de praatjes van die kwakzalver—
nee, ik wil zijnnaam
niet horen. In geen geval.Ga
beiden naar huis, wees blij en tevreden. Ik geef u mijnwoord
dat alles goed gaat, voor u, en voor het kind’.”— “Dat was
een geweldige verantwoordelijkheidop
zichnemen,”
zei Dax. “Ik, voor mijnpart
—
—
“Jij bentRasmussen
niet,” zei Tavannes.“Toen
hijme
het geval vertelde, zegde hij: ‘Ik wist dat het in orde zoukomen.
Ikkan
het niet uitleggen.Dic
zekerheidhad
niets temaken met
mijn on- derzoek, of ten minste heel weinig.Die
sprong in elkaar, ergens in mijn onderbewustzijn.Die was
er.En
daarbijvond
ik het beter, voor die twee,samen
het gevaar te lopen, als er werkelijk gevaar was,dan
voorimmer
en altijd gescheiden te leven in het schuldbesef van een abortie. Ik zaghun
levens verknoeid door wederzijdse verwijten, en hoe zeachterhun
drie kinderen steeds weer, inwroeging en bitterheid, het vierde zouden gezocht hebben. Ikkon gewoon
niet anders hande-len.’”
— “En
hoeliephet af?” vroegDax.—
“Wel, goed, natuurlijk.Het
kind werdop
tijden
gemakkelijk op de wereld geibracht.Het was
een forse jongen, die onmiddellijk lustig aan het kraaien ging, en groeide als een kool.Rasmussen
heeft ermeer
plezier aan gehaddan
aan zijn eigen nietsnuttenvan
zoons.Die
hebben hem
het leven zuur gemaakt:Mamas
kindertjes, die ver- troeteld en ontzien moesten worden, en beschermd tegende
uitvallen von die boerse buílebak van een vader.Eén
heeft zijnnek
gebroken in een auto-ongeval.De
andere zit ergens in Brazilië.Die
vindt dathij aan zijn kinderplicht voldaan heeft als hij een kerstkaartje naar zijn vader toegezonden heeft. Wel, kaartjes hoeft hij voortaan niet
meer
te zenden.Rasmussen
is gestorven zoals hij geleefd heeft: al- leen.”—
“Ik wist niet eens dat hij ziek was,” zeiLeeuwen
bitter. “Hij heeftme
niet laten roepen, alwaren we
neven.Maar
hijwas
een goedmens —
hijhad
eerbied voor het leven. Vergect dat niet, jongmens.”— “Aan
wie van ons is hetnu
de beurt?” zei Tavannes.“We
worden oud —
”
28