DISKUSSIE.
HET BIJBELSE SCHEPPINGSVERHAAL EN DE NATUURWETENSCHAP.
EEN ANTWOORD. I.
G raag ga ik in enkele punten in op de opm erkingen die door prof. dr. S. du Toit gem aakt zijn n a a r aanleiding van
„H et Bijbelse scheppingsverhaal en de natuurw etenschap. ’ ’
1) W aarom is geen uiteenzetting gegeven van de huidige stan d van de natuurw etenschap inzake evolutie?
E en dergelijk exposé zou — in het bestek van een serie K oers-artikelen — slechts een duplicatie kunnen zijn van bestaande publikaties. Men vindt over de w etenschappelijke stan d van zaken verschillende goede, sam envattende wer- ken. Ik wil hiervan slechts enkele noem en: J. Lever, 1956, „Creatie en evolutie”, W ageningen; G. G. Simpson, 1953, „The m ajor fe atu res of evolu
tion”, New York; J. M. Smith, 1958,
„The th eory of evolution” , Penguin Books; L. Stebbins, 1950, „V ariation and evolution in p lan ts” , New York.
Twee andere titels werden reeds eerder genoemd. Op enkele onderw erpen die in het bijzonder onze aandacht verdie- nen, hoop ik la te r nog gedetaileerder in te gaan. Zo zal er over enkele m aanden bijv. een boekje verschijnen over de positie der fossiele Zuid A frikaanse aapm ensen, de A ustralopithecinae.
2) E volutie: fe it of theorie?
De evolutieleer als geheel is het stadium van een theorie zeker te boven, ook al is onze kennis in verschillende opzichten nog m aar beperkt. D aarom is het jam m er, d at veel theologen zich nog
vaak kram pachig vastklem m en aan zinsneden als „voor zover we d aa r op het ogenblik gegevens over bezitten”
("hoezeer ik deze houding begrijpen k an !). Op deze wijze b lijft de be- schouwing van de eerste Bijbelhoofd- stukken betrokken op de problemen der natuurw etenschap. Wie zijn exegese verbindt m et h iaten in de kennis der natuurw etenschap, zal n iet anders dan m et vrees en beven de verdere ontwik- keling van deze natuurw etenschap tegem oet kunnen zien en bij volgende ontdekkingen noodgedwongen moeten capituleren voor de nieuwe resultaten.
3) De navolging van K arl B arth.
In onze G ereform eerde kringen is veel critiek g euit op de opvatting van B arth, en zeker n iet ten onrechte. Dit moet echter ook n iet to t een ander u iterste leiden, als zou B arth geen goed ding kunnen zeggen. Wij, Gerefor- meerden, hebben ook nog wel iets van hem te leren. N a ar m ijn gevoelen kom t de gegeven exegese van Genesis 1: 1-25 nergens m et de Gereform eerde S chrift- beschouwing in strijd , ook al is zeker veel aan B arth ontleend. Tevens rijzen er vanu it deze opvatting geen moei- lijkheden ten aanzien van de n a tu u r
wetenschap. D aar bij elke m eer letterlijke opvatting e r wel bezwaren zijn van natuurw etenschappelijke aard, m ocht en m oest zelfs de v ra ag gesteld w orden: is er ook een andere aanvaard- bare exegese te vinden ? Overigens b lijft ook m ijn pogen slechts een
KOERS 251
m enselijke benadering van h et Goddelijk Woord.
4) Geen ogenblik wil ik zeggen, d a t prof. A alders geen goed Gerefor- m eerd theoloog was. M aar w at zijn visie op de schepping b e tre ft is hij een fu nd am entalist en zijn exegese is op d it punt, in h e t licht van onze huidige kennis, n iet lan g er aanvaardbaar.
5) D at e r over de beschouwing van zekere theologen nog veel verschil van m ening b estaat, is helaas een feit. M aar de vragen inzake de verhouding Bijbel
— n atu urw etensch ap kunnen n iet blij- ven w achten to t de theologen het onderling eens zijn geworden. De geschiedenis h ee ft geleerd, d at d a t wel eens heel lang kan duren!
6) W aarom ik m ij begaf op het te rre in d er theologie?
H et antw oord op deze v ra ag ligt reeds opgesloten in de la a tste allinea van m ijn betoog. Van theologische zijde w ordt te weinig over de onder- havige problem e gedacht, of alth ans gezegd. D it bleek ook op h et k o rt geleden hier in N ederland, in h et Eyk- m anhuis, gehouden congres over de problem en van schepping en evolutie.
De opkom st w as verrassend groot, m aar h et a a n ta l theologen daaro nder relatief gering. Voor de C hristen-natuuronder- zoeker wegen de m oeilijkhede zwaar, w ant zij raken d irek t zijn geloof, ja, zijn gehele leven.
T ussen theologie en n atu u rw eten schap b e sta a t een verschil in blikrich- tin g : de n atu urw etenschap is vooral op de toekom st gericht, de theologie op het verleden. Tevens is e r een verschil in tijd m a a t: De n atuurw etenschap leeft tegenw oordig bijkans bij dagen, de
theologie reken t m et eeuwen. Daarom is de w etenschap van h et geloof behoudender van aard . N iet h et geloof m et zijn eeuw igheidskarakter, m aar de w etenschap van het geloof, h et aarden v a t w aarin deze sch at w ordt bew aard.
H et v alt n iet te ontkennen, d at h et ju is t de natuurw etenschap is, die hoe lan g er hoe m eer zijn stem pel op deze tijd d ru k t (m edische wetenschap, pro- duktieverhoging van plan ten en dieren, atoom kracht, rak etten , kunstm anen, enz.). Ook op de C hristenen h eeft dit zijn invloed. Zij leven n iet lan ger in een isolem ent. Populaire tijd sc h riften en boeken, radio, film en televisie bren- gen natuurw etenschappelijke beschou- wingen to t in onze huiskam ers. E n m et de traditionele exegese is een groot deel der gelovigen, in het bijzonder de jeugd, onvoldoende gew apend tegen het gevaar d a t in het natuurw etenschappe- lijk denken van nu m ogelijk g ro ter is dan ooit.
V erder dien t e r ook ten behoeve van de niet-christenen iets te veranderen.
De traditionele exegese vorm t een struikelblok voor de verbreiding van het Evangelie. Te vaak s tu it m en op de m ening, d at men m et h et C hristelijk geloof ook de zesdaagse schepping als historisch fe it m oet aanvaarden, ten koste van zekere w etenschappelijke feiten en w erkhypothesen.
H et kom t mij n iet overdreven voor, a ls vastgesteld w ordt, d a t e r grote h aa st bij is, d a t de fundam entalistische exegese verdw ijnt, d a t de bezinning op de v raagstu k k en van schepping en evo
lutie zulke re su ltate n g a a t opleveren, d a t de m ist, die e r over de eerste hoofd- stukken van Genesis hangt, g aa t
252 KOERS
optrekken, en d at e r in onze kerken w eer u it d it Bijbelgedeelte gepreekt kan worden.
7) H et is hier n iet de pl-aats nader in te gaan op de v ra ag of er van een
„Bijbels wereldbeeld” kan worden gesproken. H et probleem is daarvoor te groot. Ik wil U slechts even a tte n t m aken op de publikatie van dr. W. J. A.
Schouten, 1926, „H et wereldbeeld van de B ijbel”, O rgaan van de Chr. Vereen.
van N at. en Geneesk. L igt de kern van de bezw-aren, die door de professoren Grosheide en A alders hiertegen is aan- gevoerd, n iet in h et n iet willen aan- vaarden van de konsekwenties van een w aarlijk organische inspiratie?
Eindigen wij ten slotte m et h et nog- maals uitspreken van de overtuiging dat de beperkte, eindige geest van de mens door alle vergissingen en dwalingen heen bestem d is w aarheid te vinden — om dat wij schepselen van God zijn — om dat God ons n iet kan willen bedrie- gen.
L aten wij ons m et alle energie werpen op de gestelde taak, wetende in h et geloof, d at wij er toe geroepen zijn, wetende ook, d at onze arbeid n iet ijdel is in de H eer (1 Cor. 15: 58).
A. A. MANTEN.
U trecht, Nederland.
KOERS
\
253